Afgelopen zondagmiddag was op de TV, om 13.00, onder Matinee : (Volgt de omschrijving in de gids.) Gebel - Johannes Passion. Heel af en toe blijken er nog historische parels te bestaan: niemand had ooit van de Duitse componist Georg Gebel (1709 - 1753) gehoord. Totdat een paar jaar geleden zijn werk werd herondekt. Op zoek naar het mysterie van Gebel. Gebel was werkzaam in Rudolstadt. Dat ligt in Thueringen, in het oostelijk deel van Duitsland. (Even een opmerking, die niets met het onderwerp te maken heeft: Een overgrootmoeder van Koningin Juliana was een "Von Schwartzburg-Rudolstadt.) In de uitzending werd gezegd, dat Leipzig niet zo ver van Rudolstadt ligt en dat het heel goed mogelijk is, dat Gebel wel eens naar Bach is komen luisteren. Daarmee wilden ze niet zeggen, dat Gebel een na-aper van Bach zou zijn, maar dat hij er wel door ge-inspireerd zou kunnen zijn.
In Wikipedia is het volgende te vinden over genoemde Gebel:
Leven:
Hij was de eerste zoon van de organist Georg Gebel de oudere (1685-1750). Het muziekale talent van de jonge Gebel kwam al vroeg tot uiting. Al toen hij 6 jaar oud was oogstte hij veel bewondering bij in voorname kringen in de stad Breslau. Zijn opleiding kreeg hij aanvankelijk thuis, en aansluitend op het Maria-Magdalena-Gymnasium in Breslau. Bepalend was voor Gebel de kennismaking met de Italiaanse opera, waarvan hij de uitvoeringen in Breslau bezocht.
Toen hij 20 jaar was werd hij organist van de stedelijke parochiekerk van St. Maria Magdalena, en regelmatig leidde hij als gast-dirigent het orkest van hertog Karl Friedrich van Württemberg-Oels. In deze periode moeten ook de eerste grotere eigen composities ontstaan zijn.
Op zijn 26e werd Gebel in het Dresdner privé-orkest van graaf Heinrich van Brühl aangenomen, die door de latere kantor van de Thomaskerk in Leipzig Johann Gottlob Harrer geleid werd. Gebel was er klavecinist en samen met Harrer was hij verantwoordelijk voor de productie van feest- en huismuziek. Als lid van het privé-orkest van Brühl kwam Gebel onder andere in 1739 in Warschau, waar musici van het hof in Dresden gastoptredens gaven.
Na een verblijf van in totaal 12 jaar in Dresden, ging Gebel samen met zijn vrouw Frau Maria Susanna, de dochter van de Berlijnse schilder Gebel, naar het hof in Rudolstadt, waar hij nieuwe werkzaamheden kreeg. Hij werd er met name als componist actief en werd er een hooggeacht man. De reden om naar Rudolstadt te gaan was dat er plannen waren het orkest van Brühl op te heffen. Op 29 augustus 1746 werd Gebel in Rudolstadt tot concertmeester benoemd, op 20 maart 1750 mocht hij de titel kapelmeester voeren. De produktiviteit die hij aan het hof van Rudolstadt ten dag legde was immens. Naast de nagenoeg compleet overgeleverde Kerkcantate-jaargangen van 1748 en 1751 en twee passies, moet hij niet minder dan 12 opera's, meer dan 100 symfonieën en partita's, en nog klavecimbelconcerten geschreven hebben.
De handschriften van zijn werken, waarvan vrijwel uitsluitend de cantatee en oratoria bewaard gebleven zijn, worden bewaard in de het staatsarchief van Thüringen in Rudolstadt, in het Slot Heidecksburg (Musikalienbestand Hofkapelle Rudolstadt, HKR).
Oeuvre:
144 Cantates, verdeeld over 3 jaargangen (1747/48, 62 werken bewaard gebleven; 1749, slechts fragmentarisch overgeleverd, 13 werke behouden; 1750/51, 69 werken behouden)
4 Kyrie -zettingen
1 Passiemuziek (Johannespassion) in 6 delen voor solostemmen, koor en orkest (HKR 976)
1 kerstoratorium(HKR 843)
1 nieuwjaarsoratorium (HKR 827)
CD-opnamen:
Georg Gebel: kerst- en nieuwjaarsoratorium; Cantus Thuringia en Capella Thuringia, onder leiding van Bernhard Klapprott, met Monika Mauch, Kai Wessel, Nico van der Meel, Peter Kooij, label Classic Production Osnabrück, Audio CD 2004
Georg Gebel: Johannespassion, met Ludger Remy, Dorothee Mields, Henning Voss, Jan Kobow, Klaus Mertens, Sebastian Bluth, Ensemble in Canto Weimar en Weimarer Barockensemble, label Classic Production Osnabrück, Audio CD 2004
Literatuur:
Axel Schröter: Zur Kirchenmusik Georg Gebels (1709-1753). Ein Verzeichnis der in Rudolstadt vollendeten Werke (Staatsarchief Thüringen te Rudolstadt, Bd. 5). Frankfurt o.a.: Peter Lang 2003.